Inleiding
Meer dan een derde van de jongeren die gekwalificeerd is voor het hoger onderwijs kiest niet voor een vervolgstudie in het hoger onderwijs (Van den Broek et al., 2019). Er is dan sprake van zelfselectie: dat wil zeggen dat iemand niet kiest voor de hoogst mogelijke vervolgopleiding waarvoor diegene gekwalificeerd is. Dit hoeft geen probleem te zijn zolang men op de gewenste plek terechtkomt. Er is echter een afname in doorstroom van het voortgezet- en middelbaar beroepsonderwijs naar het hoger onderwijs geconstateerd (Inspectie van het Onderwijs, 2020; Van den Broek et al., 2019). Dit kan wijzen op een probleem met zelfselectie aan de poort van het hoger onderwijs, en daarmee ook met de toegankelijkheid van het Nederlandse hoger onderwijs.
Methode
In deze studie is een theoretisch raamwerk ontwikkeld van factoren en mechanismen die bij gekwalificeerde jongeren meespelen om niet voor de hoogst mogelijke opleiding in het hoger onderwijs te kiezen. Daarvoor is een systematische literatuur review van Nederlandse studies en internationale reviews uitgevoerd. Het studiekeuzemodel van Perna (2006) is daarbij als uitgangspunt genomen. Dat model veronderstelt dat verschillende contextuele lagen bijdragen aan de afweging om al dan niet verder te gaan studeren.
Daarnaast zijn drie casestudies verricht om de nadere betekenis van de relevante factoren uit het model te onderzoeken. In een semigestructureerd interview met een havist, een vwo-er en een mbo-er werd antwoord gezocht op de vraag: ‘Welke betekenis geven jongeren aan de factoren en mechanismen zoals vastgesteld in de literatuurstudie in het besluit om niet te gaan studeren in het Nederlandse hoger onderwijs?’.
Resultaten
Lage SES heeft invloed
Uit de literatuurstudie blijkt dat veel factoren een rol spelen in het zelfselectieproces. Op het gebied van demografische kenmerken domineert sociaaleconomische status (SES) als invloedfactor. Leerlingen die als eerste uit hun gezin gaan studeren (eerste generatie leerlingen) stromen minder vaak door naar het hoogst mogelijke niveau. Dit geldt echter niet voor leerlingen waarvan de ouders een migratieachtergrond hebben. Ook deze groep heeft relatief vaak een lage SES. Voor hen lijkt dit juist een faciliterende factor om wel te kiezen voor de hoogst mogelijke vervolgopleiding. Opleidingen met selectieprocedures blijken minder vaak gekozen te worden door jongeren met laagopgeleide ouders.
Financiering helpt
Er is een wisselwerking met andere contexten geconstateerd, zoals de aanwezigheid van studiefinanciering (beleid) of selectieprocedures (hoger onderwijs). Beurzen of beperking van studiekosten bleken een positieve invloed te kunnen hebben op de kans dat jongeren deelnemen aan het hoger onderwijs. Dat geldt met name voor jongeren die opgroeien in een zogeheten kansarme leefomgeving.
Begeleiding kan bepalend zijn
Daarnaast is geconstateerd dat de aanwezigheid van studiekeuzebegeleiding, loopbaanoriëntatie, transitieprogramma’s en extracurriculaire activiteiten bepalend kunnen zijn. Deze factoren geven met name jongeren uit kansarmere gezinnen of wijken de gelegenheid om kennis te maken met mogelijkheden in het hoger onderwijs en hoe zij hun capaciteiten en ambities daarop kunnen afstemmen.
Conclusie en aanbevelingen
De onderzoekers concluderen dat er sprake is van zelfselectie die is gerelateerd aan sociale achtergrondfactoren en die tot stand komt in interactie met belemmerende factoren uit verschillende contexten. Volgens de onderzoekers is er sprake van kansenongelijkheid en is het hoger onderwijs niet even toegankelijk is voor alle gekwalificeerde jongeren.
Het theoretisch raamwerk toepassen kan volgens de onderzoekers aanknopingspunten bieden om het onderwijsstelsel dusdanig in te richten dat leerlingen kunnen kiezen voor de best passende vervolgopleiding of de arbeidsmarkt. Volgens de onderzoekers is een nieuw perspectief wenselijk: dat de keuze voor een vervolgopleiding niet een individuele aangelegenheid is, maar een verantwoordelijkheid van het onderwijssysteem.
Producten