Tijdens stages, afstuderen en de overgang naar de arbeidsmarkt kunnen bestaande verschillen tussen studenten groter worden. Ontdek hoe je kansengelijkheid in deze fase kunt versterken.
Bijdrage van
Laura Kalfsvel
(RadboudUMC Health Academy) , Aabidien Hassankhan
(RadboudUMC Health Academy) , Prof. dr. Karen Stegers-Jager
(RadboudUMC Health Academy) , Irene Staat
(Hogeschool Utrecht) , Maaike van Nifterik
(De Haagse Hogeschool) Meer informatie
Over dit onderwerp zijn een webinar-opname en een handreiking beschikbaar.
Webinar Gelijke kansen in de studie-eindfase
Dit webinar is opgenomen op 1 juni 2026. Te gast waren Laura Kalfsvel en Aabidien Hassankhan (onderzoekers aan Radboudumc), Maaike van Nifterik (HBO Docent Pedagogiek bij De Haagse Hogeschool en coördinator van de 'Afstudeerwerkplaats') en Irene Staat (Adviseur Gelijke Stagekansen bij Hogeschool Utrecht).
Laura Kalfsvel en Aabidien Hassankhan hebben onderzoek gedaan naar kansen(on)gelijkheid in de studie-eindfase. In het webinar bespreken zij veelvoorkomende factoren die effect hebben op studiesucces en welke aanknopingspunten de kansen op succes voor alle afstuderende studenten verbeteren. Samen met moderator Joost Hoebink gaan ze in gesprek met Maaike van Nifterik en Irene Staat, die voorbeelden laten zien van hoe zij in de praktijk omgaan met kansen(on)gelijkheid in de eindfase van de studie.
Video: YouTube | Webinar: Gelijke kansen in de studie-eindfase
Handreiking Kansengelijkheid in de studie-eindfase
In opdracht van de Expertgroep Toegankelijkheid Hoger Onderwijs (ETHO) hebben onderzoekers van de Radboudumc Health Academy onderzocht welke factoren van invloed zijn op studiesucces in de studie-eindfase en welke knelpunten studenten en onderwijsprofessionals ervaren. Op basis van een internationale literatuurstudie en een inventarisatie onder professionals in het Nederlandse hoger onderwijs is een praktische handreiking ontwikkeld.
De handreiking biedt inzicht in student- en instituutgebonden factoren die van invloed zijn op kansengelijkheid. Daarnaast bevat het kennisproduct concrete aanknopingspunten voor verbetering, bijvoorbeeld op het gebied van begeleiding, beoordeling, studentondersteuning en inclusieve onderwijspraktijken. De inzichten komen voort uit vragenlijsten en verdiepende interviews met onderwijsprofessionals, aangevuld met bevindingen uit de wetenschappelijke literatuur.
De handreiking is te downloaden als pdf en als volledige tekst beschikbaar op deze pagina.
Kansenongelijkheid in het hoger onderwijs ontstaat niet op één moment. Studenten kunnen op verschillende momenten tijdens hun studie belemmeringen ervaren, bijvoorbeeld door persoonlijke omstandigheden, het ontbreken van duidelijke ondersteuning of een gebrek aan ruimte voor maatwerk. Toch is veel onderzoek en beleid gericht op het begin van de studie, zoals de selectie of het bindend studieadvies. Maar ook in de eindfase speelt kansenongelijkheid een rol. En juist daarover is nog weinig bekend.
In deze laatste studiefase, waarin studenten stagelopen, afstuderen of de overstap maken naar de arbeidsmarkt, komen verschillen in kansen die zich tijdens eerdere opleidingsjaren hebben opgebouwd vaak samen. Begeleiding is minder gestructureerd, studietempo’s lopen uiteen en studenten moeten veel zelf organiseren. Juist dan worden bestaande achterstanden zichtbaar of ontstaan nieuwe; denk aan studenten die stages niet halen of hun scriptie niet afschrijven.
Opleidingen willen deze ongelijkheid verkleinen, maar missen vaak zicht op waar het knelt en wat wél werkt. In deze handreiking staan praktische handvatten om de kansen op succes voor álle studenten te verbeteren, juist in deze belangrijke afrondende fase van hun studie. De aanbevelingen zijn gebaseerd op een internationale literatuurstudie en een inventarisatiestudie onder professionals in het Nederlandse hoger onderwijs, uitgevoerd door de Radboud Health Academy in opdracht van het Expertgroep Toegankelijkheid Hoger Onderwijs (ETHO). De inzichten komen voort uit vragenlijsten en verdiepende interviews met onderwijsprofessionals, aangevuld met bevindingen uit de wetenschappelijke literatuur.
Voor de literatuurstudie in dit onderzoek zijn 4783 wetenschappelijke artikelen gescreend, waarvan er 253 volledig zijn gelezen. Uiteindelijk voldeden 126 artikelen aan de onderzoeksvraag. De resultaten daarvan zijn meegenomen in de uitwerking van dit kennisproduct.
Voor de inventarisatiestudie hebben 47 professionals gereageerd op de vragenlijst. De deelnemers werken als docent, onderzoeker of beleidsmedewerker aan 14 hogescholen en 4 universiteiten in Nederland. Binnen deze groep zijn 7 professionals geïnterviewd over de belangrijkste thema’s die uit de vragenlijst naar voren kwamen.
Student-gebonden factoren
Student-gebonden factoren zijn eigenschappen, omstandigheden of ervaringen van studenten, die van invloed kunnen zijn op hun kans om de eindfase van hun studie succesvol af te ronden. Dat kunnen individuele kenmerken zijn, zoals neurodiversiteit of psychische klachten. Maar ook achterliggende omstandigheden zoals financiële druk, zorgtaken of het ontbreken van een steunend netwerk. Vijf veelvoorkomende student-gebonden factoren verdienen bijzondere aandacht, omdat ze een zichtbaar effect hebben op het studiesucces in de eindfase:
1. Beperkte tijd en energie voor de studie
Veel studenten combineren hun studie met (noodzakelijk) werk, zorgtaken of andere verantwoordelijkheden. Hierdoor is er minder tijd en mentale ruimte om hun stage of scriptie af te ronden. In de eindfase, waar veel zelforganisatie en deadlines samenkomen, leidt dit sneller tot vertraging of uitval. Studenten uit gezinnen met een lager inkomen hebben vaak minder financiële steun, waardoor zij meer moeten werken of minder flexibel zijn in hun stagekeuze. Ook mantelzorg en psychische belasting spelen hierbij een grote rol.
Het verschil tussen studenten met en zonder financieel vangnet is enorm. De één moet fulltime werken naast de stage, de ander hoeft zich daar geen zorgen over te maken.
2. Uitdagingen in overzicht en motivatie
Studenten met bijvoorbeeld ADHD, ASS, een angststoornis of depressie ervaren extra drempels om hun studie te organiseren. Onregelmatige begeleiding, losse planningen en een gebrek aan vaste structuur maken het lastig om overzicht en motivatie te houden. Vooral in de eindfase, waarin veel begeleiding impliciet en ad hoc is, raken deze studenten sneller achterop. Sommige studenten trekken zich terug of zijn letterlijk niet meer bereikbaar. Juist voor deze groep zijn duidelijkheid, check-ins en voorspelbaarheid essentieel.
Als het misgaat, is het vaak in de stilte. Studenten haken af, maar we merken het pas als het al weken later is.
3. Beperkt cultureel en sociaal kapitaal
Studenten die geen netwerk hebben binnen het hoger onderwijs of het werkveld (bijvoorbeeld eerste-generatiestudenten, studenten uit Caribisch-Nederland of met een migratieachtergrond), lopen tegen zichtbare én onzichtbare drempels aan. Ze weten minder goed wat er van hen verwacht wordt, kennen de informele regels minder goed en hebben minder toegang tot ‘de juiste mensen’ voor stages of opdrachten. Ook inschatten hoe assertief of informeel je mag zijn in contact met begeleiders of bedrijven blijkt lastig.
Ze zijn slim en gemotiveerd, maar missen soms net de juiste ingang of de juiste toon in een mail. Dat kan genoeg zijn om afgewezen te worden voor een stage.
4. Functiebeperkingen en zichtbaarheid daarvan
Studenten met een fysieke, zintuiglijke of psychische functiebeperking ervaren extra obstakels in de eindfase. Denk aan vermoeidheid, onregelmatige belastbaarheid of een gebrek aan passende voorzieningen. Veel van deze beperkingen zijn niet direct zichtbaar en worden dus ook niet altijd (h)erkend door begeleiders of bedrijven. Studenten kunnen bovendien aarzelen om open te zijn over hun situatie, uit angst voor een stigma of negatieve beoordeling.
Zodra je afwijkt van wat ‘normaal’ is, wordt het ingewikkelder. Er wordt onbewust getwijfeld aan je geschiktheid, in plaats van dat er wordt gekeken naar wat nodig is.
5. Taalvaardigheid
In de eindfase worden hogere eisen gesteld aan taalvaardigheid, schriftelijke communicatie en abstract denkvermogen. Studenten die hierin minder vaardig zijn, bijvoorbeeld door een andere moedertaal of een mbo-achtergrond, lopen tegen impliciete verwachtingen aan. Een beoordeling is vaak gebaseerd op schrijfproducten als scripties of reflectieverslagen. Voor studenten met minder schrijfervaring, of studenten die de inhoud goed beheersen maar moeite hebben met het verwoorden ervan, vergroot dit het risico op vertraging of onderschatting.
Een slechte zinsopbouw leidt af van de inhoud. Dat maakt dat het werk misschien lager beoordeeld wordt dan het eigenlijk verdient.
Shutterstock/PeopleImages
Instituut-gebonden factoren
De manier waarop het onderwijs is ingericht speelt ook een belangrijke rol in het vergroten of verkleinen van kansengelijkheid in de eindfase. Deze zogenoemde instituut-gebonden factoren hebben te maken met de structuur, organisatie, communicatie en cultuur van opleidingen. Denk aan hoe stages worden geregeld, hoe begeleiding wordt vormgegeven, en of studenten weten waar zij terecht kunnen voor ondersteuning. Juist in de eindfase, waarin veel zelfstandigheid wordt verwacht en procedures versnipperd of impliciet zijn, kan de manier waarop het onderwijs georganiseerd is ongelijkheid versterken.
Een analyse van deze instituut-gebonden factoren laat vijf thema’s zien die instellingen kunnen gebruiken als aangrijpingspunt voor verbetering.
1. Zelf een stageplek zoeken vergroot verschillen
Bij veel opleidingen zijn studenten zelf verantwoordelijk voor het vinden van een stage- of afstudeerplek. Voor studenten met een goed netwerk, assertieve houding en kennis van de verwachtingen is dat vaak geen probleem. Maar voor studenten zonder zo'n netwerk, met minder culturele aansluiting of een andere communicatiestijl, vormt dit een aanzienlijke drempel. Discriminatie op naam of achtergrond speelt hierbij mee. Daarnaast is begeleiding bij het sollicitatieproces niet altijd vanzelfsprekend – maar vaak wel nodig.
Instellingen kunnen dit verschil verkleinen door studenten actief te ondersteunen in het zoeken naar een passende stageplek, bijvoorbeeld via stagecoaches, stagedatabases of sollicitatietrainingen. Ook proactief plekken aanbieden of studenten anoniem laten solliciteren, helpt om een eerlijker speelveld te creëren voor álle studenten.
De toewijzing van plekken: studenten moeten er vaak zelf op uit. Daarmee vindt al selectie plaats door minder zelfvertrouwen, minder zakelijk netwerk, minder aantoonbare werknemersvaardigheden etc.
2. Begeleiding is wisselend en soms onvoldoende afgestemd
De kwaliteit van de begeleiding in de eindfase is sterk afhankelijk van de toegewezen begeleider. Sommige begeleiders zijn inhoudelijk sterk, maar missen didactische of pedagogische vaardigheden. En dat is zeker bij studenten met extra ondersteuningsbehoeften wel nodig. Daarbij is de begeleiding vaak vooral op de inhoud gericht, terwijl juist procesmatige begeleiding (zoals structureren, plannen en motiveren) in deze fase cruciaal is. Studenten die moeite hebben met zelfstandig organiseren, missen hierdoor essentiële ondersteuning.
Daarnaast weten studenten niet altijd waar zij terechtkunnen voor bredere ondersteuning, bijvoorbeeld bij psychische belasting of functiebeperkingen. Instellingen kunnen investeren om begeleiders te trainen op het gebied van didactisch en coachend begeleiden. Ook kunnen ze heldere verwijslijnen creëren naar ondersteunende diensten. Het zichtbaar maken van deze voorzieningen, en het normaliseren van het gebruik ervan, draagt bij aan een inclusievere studieomgeving.
Begeleiders helpen wel met de inhoud, maar niet met het proces. Terwijl het proces juist is waar veel studenten op stuklopen.
3. Zichtbaarheid en groepsgevoel versterken betrokkenheid
In de studie-eindfase verliezen studenten sneller het gevoel dat ze onderdeel zijn van een gemeenschap. Begeleiding is vaak individueel, contactmomenten zijn schaars en studenten die uit de pas lopen verdwijnen makkelijk uit beeld. Vooral studenten die vertraging hebben opgelopen of minder aansluiting ervaren bij hun opleiding, zoals langstudeerders, hebben behoefte aan herkenning, structuur en het gevoel dat ze ertoe doen binnen de opleiding.
Verschillende opleidingen proberen dit op te vangen met vaste groepen of 'klassen' voor langstudeerders. Hierin komen studenten wekelijks samen, worden ze begeleid door een vast team en kunnen ze elkaar motiveren. Zulke initiatieven versterken niet alleen de voortgang, maar zorgen ook voor een groter gevoel van verbondenheid en veiligheid.
Studenten hebben het nodig om erbij te blijven horen. Door ze in een vaste groep te plaatsen met vaste begeleiders en andere studenten in dezelfde situatie, blijven ze zichtbaar.
4. Beoordeling is niet altijd transparant of afgestemd
De beoordeling in de eindfase bevat vaak impliciete normen, bijvoorbeeld over zelfstandigheid, assertiviteit of schrijfvaardigheid. Die sluiten niet altijd aan bij de diverse achtergronden en kwaliteiten van studenten. Beoordelaars verschillen onderling sterk, kalibratie ontbreekt soms, en onbewuste bias speelt een rol. Daardoor is de kans groter dat niet-inhoudelijke factoren meewegen in de beoordeling van afstudeerwerk of stage.
Om dit te verbeteren kunnen opleidingen inzetten op herijking van rubrics en training in inclusieve beoordeling. Door te beoordelen op concreet observeerbaar gedrag in plaats van op stijl of presentatie, en door ruimte te bieden voor verschillende manieren van ‘professioneel handelen’, wordt de beoordeling eerlijker.
In de beoordeling zitten waarden vervat die rigide geïnterpreteerd kunnen worden, zoals regie nemen = assertief zijn. Dat geldt niet voor elke student.
5. Instellingscultuur: impliciete verwachtingen en beperkte reflectie
Tot slot speelt ook de bredere cultuur binnen instellingen een rol. Opleidingen verwachten vaak veel zelfstandigheid in de eindfase, zonder dat altijd duidelijk is wat die zelfstandigheid inhoudt of hoe studenten daarin begeleid worden. Tegelijkertijd is er weinig systematische reflectie op hoe processen zoals toewijzing, begeleiding en beoordeling (onbedoeld) kunnen bijdragen aan kansenongelijkheid. De verantwoordelijkheid ligt daardoor sterk bij de individuele docent of begeleider. De instellingscultuur vormt dan ook een onderliggende laag bij de voorgaande thema’s en bepaalt in hoge mate hoe structureel met kansengelijkheid wordt omgegaan.
Instellingen kunnen dit doorbreken door structurele reflectiemomenten in te bouwen. Bijvoorbeeld via interne audits en teamtrainingen of door vertragings- en uitvalcijfers in relatie tot studentkenmerken te analyseren. Door systematisch te kijken naar hoe processen (onbedoeld) uitsluiten, ontstaat ruimte om collectief te leren en verbeteren.
Over het algemeen is het zo dat we eigenlijk heel weinig weten over hoe onze opleiding kansenongelijkheid in de hand werkt.
Shutterstock/PeopleImages
Richting voor verbetering
Hieronder staan vijf oplossingsrichtingen voor de hierboven beschreven knelpunten. Deze oplossingsrichtingen zijn in de inventarisatiestudie door onderwijsprofessionals zelf aangedragen. Het gaat om bestaande initiatieven en werkwijzen die binnen opleidingen al worden toegepast of ontwikkeld, en die volgens respondenten bijdragen aan het verkleinen van ongelijkheid. De oplossingen zijn vaak lokaal ontstaan, maar bieden bredere inspiratie voor beleid en praktijk.
1. Meer maatwerk en structurele begeleiding in de eindfase
Instellingen die willen investeren in structurele ondersteuning kiezen bijvoorbeeld voor een centrale afstudeerwerkplaats of langstudeerdersklas, met vaste momenten en vaste begeleiders.
We hebben een afstudeerwerkplaats ingericht, waarin ALLE studenten die langer dan het nominale programma nodig hebben begeleid worden richting hun diploma: op een vast moment in de week, met een vaste groep begeleiders.
2. Flexibiliteit in toetsvormen en studieroutes
Een minder uniforme eindfase, met ruimte voor verschillende toetsvormen en afstudeerproducten, kan studenten helpen om hun competenties beter te laten zien. Denk aan beroepsproducten in plaats van scripties, meer keuzeruimte in projecten of flexibiliteit in tempo. Deze vormen van differentiatie vragen om vertrouwen in de student én in begeleiders, en om duidelijke kwaliteitscriteria.
Wat mij betreft zouden we moeten gaan onderzoeken of de eindfase op meerdere manieren vorm kan krijgen. Dus meer vanuit de student bekeken: wat past bij hem of haar?
3. Kalibratie en bewustwording bij beoordeling
Ongelijkheid kan ontstaan bij subjectieve beoordelingen in de eindfase, bijvoorbeeld bij het afstudeerproject of tijdens de stage. Kalibratie tussen beoordelaars, training in inclusieve beoordeling en reflectie op impliciete normen dragen bij aan eerlijkere beslissingen. Instellingen kunnen concreet aan de slag met kalibratiesessies en het herschrijven van beoordelingsrubrics op basis van concreet observeerbaar gedrag in plaats van communicatiestijl.
We moeten er enorm voor waken dat we op feitelijk gedrag en niet vanuit de mening van de stagebegeleider beoordelen.
4. Gerichte aanpak van stagediscriminatie
Stagediscriminatie vormt een hardnekkige barrière, met name voor studenten met een migratieachtergrond of beperkte netwerken. Instellingen die dit actief aanpakken, doen dat onder andere via meldpunten, bewustwordingstrainingen voor begeleiders en samenwerking met stagebedrijven. Het effect hiervan is groot bij structurele borging en een gedeelde verantwoordelijkheid.
Bij het zelf zoeken naar een stage gaat veel mis door discriminatie. We willen zeker weten dat binnen alle opleidingen in de stagevoorbereiding het gesprek hierover wordt gevoerd.
5. Studentondersteuning versterken
Naast inhoudelijke en procesmatige begeleiding is ook psychologische en praktische ondersteuning essentieel. Voor studenten met psychische klachten, neurodiversiteit of functiebeperkingen blijkt het cruciaal dat ondersteuning toegankelijk en snel beschikbaar is. Decanen, studentpsychologen en studentcoaches spelen hierin een belangrijke rol, maar wachttijden en onbekendheid met voorzieningen vormen knelpunten. Proactieve signalering en duidelijke communicatie helpen om deze belemmeringen tijdig aan te pakken.
Te vaak hoor ik als studieloopbaanbegeleider dat een student pas over een week of vier bij de decaan terecht kan.
Tot slot
De eindfase van de studie is een cruciale periode waarin kansenongelijkheid zichtbaar wordt, maar ook actief verkleind kan worden. Dit vraagt niet om grootschalige systeemveranderingen, maar om bewuste keuzes op instellingsniveau: in begeleiding, beoordeling, ondersteuning en organisatie. Met deze handreiking kunnen opleidingen kritisch kijken naar hun eigen werkwijze en studentenpopulatie, en concrete stappen zetten richting een inclusievere afronding van de studie. Kleine aanpassingen kunnen hierin groot verschil maken, juist voor studenten die nu uitvallen, vertraging oplopen of onnodige drempels ervaren. Door samen te blijven leren, signaleren en verbeteren, ontstaat een hoger onderwijs waarin álle studenten een eerlijke kans krijgen om af te studeren.
Deze handreiking is gebaseerd op een literatuurstudie en inventarisatiestudie naar kansengelijkheid in de studie-eindfase, uitgevoerd door de Radboudumc Health Academy, in opdracht van de Expertgroep Toegankelijkheid Hoger Onderwijs (ETHO).
Auteurs: Laura Kalfsvel, Aabidien Hassankhan, Karen Stegers-Jager
ETHO/NKO: Met dank aan Rick Wolff en Laura van der Aar
Bijdrage van
Prof. dr. Karen Stegers-Jager
Hoogleraar Innovatief en persoonsgericht leren en werken in de gezondheidszorg
Hoe beoordeel je een selectieprocedure? Dit stappenplan helpt studenten in de rol van medezeggenschapper om selectieprocedures kritisch en goed onderbouwd te beoordelen.
Het Expertisepunt LOB heeft een handreiking ontwikkeld om bestaande begeleidingsprogramma’s in het hbo te versterken. Er wordt zowel aandacht besteedt aan instromen in het hbo als de begeleiding...
Netwerksamenwerkingen tussen onderwijsinstellingen en -sectoren om overgangen te bevorderen zijn niet eenvoudig. Lees hoe je ze kunt stimuleren en organiseren.