De overzichtsstudie “De eerste honderd dagen in het hoger onderwijs” is gericht op het in kaart brengen van de oorzaken en achtergronden van studieuitval in het eerste jaar en interventies om studieuitval tegen te gaan. Het onderzoek is gebaseerd op een literatuurstudie, een analyse van de geïnventariseerde interventies en twee expertmeetings met landelijke deskundigen. In de publicatie ligt de nadruk op het systematische overzicht van (bewezen) interventies. Daarbij is niet alleen gekeken naar ‘de eerste honderd dagen’, maar breder naar interventies rondom de overgang naar het hoger onderwijs.
Factoren die studieuitval verminderen
Er wordt internationaal en ook binnen Nederland veel onderzoek gedaan naar oorzaken van (eerstejaars)studieuitval. De meeste theoretische modellen die deze oorzaken in kaart brengen maken onderscheid tussen de rollen van input-, proces- en contextvariabelen. De literatuur laat zien dat studieuitval altijd wordt veroorzaakt door een samenspel van variabelen uit deze categorieën, die in samenhang en interactie met elkaar tot deze uitkomst leiden.
Interventies om studieuitval tegen te gaan kunnen meestal niet alle variabelen beïnvloeden. De ‘cruciale factor’ is het aspect waar een interventie op kan ingrijpen om het risico op studieuitval te verkleinen: het verbindingspunt tussen de oorzaak van de studieuitval en de interventie. In de studie worden acht typen van cruciale factoren onderscheiden:
- Loopbaanoriëntatie en -begeleiding op vo en mbo
- Kennismaking, voorlichting en proefstuderen in ho
- Aansluiting van inhoudelijke basiskennis
- Aansluiting van studievaardigheden
- Begeleiding/coaching bij de overgang door peers
- Begeleiding/coaching bij de overgang door onderwijsprofessionals
- Sociale en/of academische binding
- Docentprofessionalisering
Het onderzoek laat zien dat er in Nederland en elders veel wordt ondernomen om de overgang naar het hoger onderwijs soepeler te laten verlopen en de kans op uitval in het eerste studiejaar te verkleinen. De meeste interventies spelen in op het begeleiden van de studiekeuze en de overgang naar het hoger onderwijs (cruciale factoren 1, 2, 5, 6 en 7). Een kleiner deel is gericht op het vergroten van de kennis en vaardigheden om studenten beter toe te rusten en meer zelfvertrouwen te geven, en om hun studieresultaten te verbeteren (cruciale factoren 3 en 4). Voor cruciale factor 8 (‘Docentprofessionalisering’) zijn geen gerichte, helder omschreven en/of bewezen interventies gevonden. Dit is een opmerkelijk gemis omdat kenmerken van de docent-student interactie wel van invloed kunnen zijn op het ontstaan van studieuitval.
Bewezen effectiviteit van interventies
Het onderzoek vond de meeste bewijslast voor interventies die inspelen op de begeleiding/coaching bij de overgang naar het ho door peers (cruciale factor 5) en interventies gericht op het verbeteren van de aansluiting van studievaardigheden (cruciale factor 4). De relatief hoge bewijslast voor deze interventies maakt dit mogelijk aantrekkelijke interventies voor andere hoger onderwijs instellingen. Echter, ze zijn zeer uiteenlopend in onder meer duur, vorm, doelgroepen, intensiteit en tevens in het soort effect dat een indicatie geeft van het verlagen van de kans op studieuitval. Kortom, er is geen duidelijk ‘recept’ af te leiden voor de beste vorm van deze interventies.
Werkzame mechanismen in interventies
De werkzame mechanismen van interventies zijn ‘die processen die ertoe leiden of eraan bijdragen dat een gewenst effect optreedt’. In effectiviteitsonderzoek wordt meestal het onderscheid aangehouden tussen de (directe) resultaten van een interventie en de (uiteindelijk) beoogde effecten. Het onderzoek toont per interventie het veronderstelde werkzame mechanisme op deze wijze. Gebruikers van het interventieoverzicht die werkzaam zijn in de hoger onderwijspraktijk kunnen de analyse gebruiken om te bepalen of de interventie – al dan niet na aanpassing – in de eigen organisatie kan worden toegepast. Daarbij is het van belang beredeneerde keuzes te maken over welke oorzaken van studieuitval worden aangepakt, welke doelgroepen worden benaderd, welke cruciale factoren worden aangesproken, welk werkzaam mechanisme wordt beoogd en hoeveel daar structureel in geïnvesteerd kan worden. Onderzoek naar de werkzaamheid van bestaande interventies zou daarbij de basis moeten vormen.
Witte vlekken in het onderzoek naar werkzaamheid van interventies
Het onderzoek constateert grote witte vlekken in de kennis over de werkzaamheid van interventies. Dat is af te leiden uit de relatief lage bewijslast van een flink deel van de interventies uit het overzicht. Quasi-experimenteel onderzoek – waarmee effecten op ‘harde’ uitkomstmaten zoals uitval en studievoortgang met enige zekerheid kunnen worden toegeschreven aan een interventie – is schaars. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat interventies altijd deel uitmaken van een breder instroombeleid en een (veel) breder palet van aanpakken waardoor het per definitie lastig om aan te tonen dat een eventuele lagere studieuitval het gevolg is van een specifieke interventie. Dit wordt verder bemoeilijkt als er bij de invoering van nieuwe aanpakken geen budget gereserveerd wordt om deze grondig te monitoren en evalueren. Bovendien kan meespelen dat initiatieven gericht op het verbeteren van de vo-ho aansluiting een wervingscomponent kunnen hebben, waardoor hoger onderwijs instellingen minder snel geneigd zijn om onderling succesvolle aanpakken uit te wisselen.
Aanbevelingen voor beleid en praktijk
- Om de juiste doelgroep te bereiken (zoals eerstegeneratiestudenten) kan overwogen worden om de studenten niet op deze achtergrond aan te spreken maar de interventie breed open te stellen en met de juiste inhoudelijke vragen deze groep te bereiken.
- De verschillen in het voortgezet onderwijs wat betreft de voorbereiding op het hoger onderwijs zijn groot. Voorbereiding kan ook bestaan uit ervoor zorgen dat leerlingen alvast eens in het hoger onderwijs over de vloer komen.
- Stimuleer samenwerking tussen vo-/mbo-docenten en ho-docenten als een vorm van professionalisering. Meer kennis van elkaars wereld maakt het gemakkelijker om daar in het onderwijs op aan te sluiten. Zie dit als onderdeel en verantwoordelijkheid van het systeem (de onderwijsinstellingen, de teams), niet van individuele docenten.
- Professionalisering van docenten kan ook plaatsvinden op het vlak van bewustwording en kennis van de diversiteit in de achtergronden van studenten en hun specifieke aansluitingsproblematieken, van het verwelkomen van studenten en van manieren om de handelingsbekwaamheid en -bereidheid van docenten te vergroten.
- De landelijke overheid kan het thema (financiering van) aansluiting en overgang vo/mbo-ho structureel op de beleidsagenda houden en zo de hoger onderwijs instellingen stimuleren om hier, ook zonder subsidies, structureel op te blijven inzetten.
- Structurele aandacht vanuit de landelijke overheid voor dit thema kan ook de samenwerking en uitwisseling tussen de onderwijsinstellingen stimuleren. Daartoe kan worden aangesloten op bestaande netwerken zoals de regionale vo-ho netwerken of het landelijk netwerk aan aansluitcoördinatoren in het hbo.
Download het onderzoeksrapport