Deze casussen zijn gekoppeld aan het overzichtsartikel over de begeleiding van Entree-studenten. In dit overzichtsartikel is op een rij gezet welke werkzame elementen bijdragen aan succesvolle begeleiding van Entree-studenten, met speciale aandacht voor studenten met multiproblematiek.
Stel, je bent begeleider van een groep Entree-studenten. Bij de start van het schooljaar of de stage maak je kennis met je studenten en vertel je wat over jezelf en belangrijke momenten in jouw eigen leven.
- Doe jij dit ook? Waarom wel/niet?
- Voor Entree-studenten kan jij een rolmodel zijn aan wie zij zich kunnen spiegelen. Het kan een steun zijn voor studenten als zij weten dat voor jou ook niet alles van een leien dakje is gegaan.
Ook geef je jouw eigen 06-nummer en zegt dat studenten jou mogen appen of bellen.
- Doe jij dit ook? Waarom wel/niet?
- Het helpt het als je als begeleider toegankelijk en laagdrempelig bent. Je bent benaderbaar. Of dat ook in privétijd mag, is een individuele keuze.
Je bent vijf dagen per week aanwezig en loopt veel rond. Ook als je het druk hebt, maak je tijd voor een praatje.
- Doe jij dit ook? Waarom wel/niet?
- Beschikbaar zijn voor zowel kleine tussendoor gesprekjes als ‘echte’ gesprekken draagt bij aan een goede relatie: echt contact, oprechte interesse, empathisch zijn. Dat draagt ook bij aan vertrouwen. Een goede relatie is nodig om je een goed beeld van de student te vormen.
Een student komt meestal wel naar school of stage, maar is bijna altijd te laat. Een andere student levert altijd half werk in, heeft het niet af. Na school- of werktijd ga je in gesprek.
- Wat ga je zeggen?
- Je begint met (dieper) vragen: hoe vind de student het op school, op stage, hoe is het thuis, hoe is het met vrienden. Misschien weet je al het een en ander van deze student, maar probeer het beeld te verdiepen. Dit is een cruciaal doel in de begeleiding van Entree-studenten. Met een goed beeld weet de begeleider:
- wat de student kan,
- wat de student aankan,
- wat de student wil,
- hoe de student zelf ziet daar te komen,
- wat de student nodig heeft,
- welke steun de student ondervindt vanuit de eigen omgeving,
- welke problemen de student ondervindt die studeren of stagelopen belemmeren.
- Een student komt meestal wel naar school of stage, maar is bijna altijd te laat. Een andere student levert altijd half werk in, heeft het niet af. Na school- of werktijd ga je in gesprek.
- Vraag de student waar het aan ligt dat deze zo vaak te laat komt of dat de taak niet af is. Probeer de student te betrekken bij dit probleem en diens zelfstandigheid te bevorderen.
- Bedenk samen mogelijke oplossingen. Maak de student zo veel mogelijk eigenaar van het probleem, eventueel met jou samen. Bij te laat komen: geef de student de ruimte om daar vanaf te wijken. Als een student bijvoorbeeld moeite heeft met cognitieve taken: geef de student meer tijd om een opdracht af te ronden of om een opdracht in stukjes op te delen. Stimuleer de student om stapje-voor-stapje vooruit te komen.
- Maak concrete afspraken met tijdpad en consequenties. Spreek verwachtingen uit en houd vast aan de doelen. Vergeet niet andere betrokkenen (teamleider, stagebegeleider) op de hoogte te brengen van de afspraken.
- Vergeet niet een compliment te geven elke keer dat de student de afspraken nakomt. Positief en progressiegericht zijn motiveert de student (en jou!).
- Laat de student, ook als het goed gaat, niet los. Blijf betrokken, want de student heeft jouw begeleiding nodig.