Wat is bekend over het bindend studieadvies (bsa)?
Het bsa is bedoeld om de selectieve, oriënterende en verwijzende functie van de propedeuse te versterken. Daarnaast wordt het bsa gebruikt om het studierendement te verhogen. Daarmee kan het advies, positief of negatief, ingrijpende gevolgen hebben voor de studiecarrière, studeergedrag de toegankelijkheid van het onderwijs en het welzijn van studenten.
De kennisbasis rond het bsa blijkt ongelijk verdeeld te zijn: de meeste gegevens betreffen studie-uitval en studierendement terwijl de selectieve functie, de oriënterende functie en de verwijzende functie nauwelijks zijn onderzocht. Ook is het merendeel van het gepubliceerde onderzoek gedaan in een wo context.
Opleidingen die een bsa willen inzetten moeten zich daarom, binnen hun specifieke context, afvragen: welke effecten beogen we? En vervolgens: wat zijn onbedoelde neveneffecten? Concretere vragen die hieronder vallen zijn: Wat doet het bsa met de selecterende en oriënterende functie van onze propedeuse? Hoe verwijzen we studenten goed door bij een negatief bsa? Wat doet het bsa met ons studierendement? Hoe beïnvloedt deze vorm van prestatiedruk het studiegedrag en wat doet dat met de onderwijskwaliteit? Wat zijn gevolgen voor het studentenwelzijn? En welke groepen worden misschien onterecht benadeeld door het bsa? De ‘juiste’ bsa-norm is onmogelijk te bepalen, maar een kwestie van het afwegen van deze bedoelde en onbedoelde effecten, zowel voor invoering als erna. Bovendien vraagt een bsa om maatwerk: een bsa kan anders uitpakken bij verschillende opleidingen en bij verschillende studenten.
Gegeven de prestatiedruk en het bindende karakter is een bsa-norm alleen te rechtvaardigen als de kwaliteit van de opleiding inclusief de toetsen waar het advies op gebaseerd wordt van hoge kwaliteit zijn. Opleidingen doen er daarom goed aan om de bsa-maatregel goed in te bedden in hun systeem voor kwaliteitszorg en het bsa regelmatig te evalueren.