Wie het weet moet het zeggen
Kennis en kunde mobiliseren om kansenongelijkheid te bestrijden. In de Brabantse gemeente Maashorst doen ze dat door intensief samen te werken met alle bij het onderwijs betrokken partijen. Bijvoorbeeld rond het taalbeleid in de gemeente. “Bovenbestuurlijke samenwerking is van groot belang. Je moet altijd naar het hele plaatje kijken.”
Volgens Anke van der Lee, schoolleider bij OBS De Cirkel in Uden, is samenwerking nodig om kinderen gelijke kansen te kunnen bieden. Niet alleen samenwerking binnen het onderwijs, maar ook met de gemeente en met de kinderopvang. Kansenongelijkheid heeft namelijk altijd meerdere oorzaken, blijkt uit onderzoek van het Nationaal Jeugdinstituut: “Het is meestal het resultaat van een samenspel van bijvoorbeeld een onderwijsachterstand, de wijk waarin je woont, een laag gezinsinkomen én een slechte woonsituatie.”
Verschillen tussen de scholen in de wijken kunnen een grote rol spelen. “In de ene wijk heeft een school veel te maken met achterstanden, in de wijk waar ik werk is dat minder. Maar we moeten er wel voor zorgen dat ieder kind in Maashorst het onderwijs krijgt waar het recht op heeft”, benadrukt Anke. Tijdens de coronacrisis zag ze de verschillen alleen maar toenemen. Veel kinderen kwamen in een thuissituatie terecht die daar niet op berekend was. De schoolbesturen van SAAM -waar Anke’s school onder valt- en KIEM sloegen de handen ineen met de gemeente, het voortgezet onderwijs en andere partijen. “Na de aankondiging dat de scholen dicht gingen, belde de bestuurder van KIEM om het samen te gaan fixen.”
Gedeelde verantwoordelijkheid
Veel kinderen bleken geen recht te hebben op opvang in de klas. Daarom gingen de betrokken partijen met elkaar in gesprek. “We bekeken welke kinderen we zouden opvangen en welke medewerkers we zouden inzetten.” Collega’s van haar school gingen werkzaamheden op andere scholen verrichten. “Je moet niet alleen in je eigen onderwijs investeren.” In korte tijd slaagden de betrokkenen erin om flinke stappen te zetten. Onder de naam ‘Maashorst Handen ineen’ ontstond een samenwerkingsverband dat aan de slag ging met de thema’s als taalontwikkeling en rijke schooldag (inmiddels is ook het bestuur van Optimus Onderwijs erbij aangesloten).
“Per thema ging een groepje kartrekkers, met onder andere een bestuurder, een directeur en een leraar, in overleg. Vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid voor alle kinderen”, licht Anke toe. Voorstellen vanuit de groepjes werden voorgelegd aan het formele overlegorgaan LEA (Lokale Educatieve Agenda). “Op die manier kan je meer voor elkaar krijgen. Het levert korte lijntjes op en een gezamenlijke visie, waardoor je daadkrachtig kan optreden.”
Onderzoek taalbeleid
Vooral de taalontwikkeling van veel leerlingen bleek te haperen. Er was echter weinig zicht op wat er allemaal gebeurde binnen de gemeente. “In Maashorst zijn veel initiatieven rond taalbeleid, van scholen, de gemeente, van vluchtelingenwerk, die niet op elkaar zijn afgestemd. Instanties werkten daardoor langs elkaar heen. Om die versnippering tegen te gaan zijn we onderzoek gaan doen naar taalbeleid”, vertelt Anke. ‘‘We willen er één geheel van maken, zodat we ieder kind kunnen geven wat het nodig heeft.” Geen dubbelingen, geen hiaten.
“Gelijke kansen door iedereen ongelijk te behandelen”, zoals zij het uitdrukt. Het initiatief voor het onderzoek kwam uit het samenwerkingsorgaan Maashorst Handen Ineen. “Iedereen wil het goed doen, maar we moeten ervoor zorgen dat we op een effectieve manier actie kunnen ondernemen.”
Samen met collega Adri van der Loop van Kiem onderwijs werd Anke kartrekker voor het onderzoek naar taalbeleid. Om te beginnen zochten ze een onderzoeksbureau dat met de vragen vanuit het samenwerkingsorgaan aan de slag kon. Wat is ervoor nodig om de taalontwikkeling van kinderen in de gemeente te verbeteren? En welke initiatieven zijn er al op dit gebied? De keus viel op de CED-groep, die snel met het onderzoek kon starten. Anke: “Vervolgens bespraken we met de onderzoekers wat we wilden weten en zorgden we voor de verbinding met de juiste personen.”
Iedereen wil het goed doen, maar we moeten ervoor zorgen dat we op een effectieve manier actie kunnen ondernemen
Gezamenlijke visie
Anke was nauw bij de uitvoering van het onderzoek betrokken. “Zodra de eerste resultaten beschikbaar waren, stelden we verdiepende vragen om de onderzoekers op weg te helpen. Het hele onderzoek is echt een proces van een half jaar geweest, ook omdat we met zoveel instanties te maken hebben.” Na afronding werd het onderzoek gepresenteerd aan alle instanties die ermee te maken hadden, zoals het vluchtelingenwerk en de bibliotheek. De eerstvolgende stap was de formulering van een gezamenlijke visie op het taalbeleid. “De gemeente faciliteert en coördineert dat proces, inhoudelijk zijn wij daar zelf mee bezig”, zegt Anke. “Daarbij gaat het er vooral om: wat gunnen wij alle kinderen in de gemeente Maashorst?”
Zodra de concept-visie op taalbeleid gereed is, gaat het LEA er weer mee aan de slag. “Speciaal aan het hele proces is dat we over een gezamenlijke visie praten. De neuzen staan dezelfde kant op.”
Hierna volgt de toepassing van de brede visie op taalbeleid in het onderwijs. “Als bestuur of organisatie mag je er zelf wat van vinden”, benadrukt Anke. De visie is daarbij leidend. “Van daaruit kunnen we de juiste vragen stellen, en voorkomen dat we meteen weer in de actiestand schieten.”
Kennisvragen
Ook bij haar team hamert ze erop om steeds de visie op onderwijs in het achterhoofd te houden. “Of het nu om taalbeleid gaat of om een ander onderwerp, het kind is de bedoeling en we doen wat daarvoor nodig is.” ‘Eerst het kind, dan de leerling,’ zoals het motto van OBS De Cirkel luidt. “Onze leraren werken hier altijd vanuit die visie. Ze komen mij echt niet vragen of ze iets mogen doen. Past het in onze visie? Dan is het goed. Ik geloof in de kracht van ‘bij de bedoeling blijven’. Het gaat niet om de regels en de afspraken. Dat wil niet zeggen dat álles kan, maar het is wel een andere manier van denken.”
Daarbij krijgen de leraren van haar zoveel mogelijk de ruimte. Als ze ondersteuning nodig hebben, komen ze wel naar haar toe. Bijvoorbeeld als ze extra kennis nodig hebben om kinderen beter te helpen met oefentherapie. Essentieel daarbij is om samen op onderzoek uit te gaan. “Ik bevorder dat iedereen in mijn team met elkaar in gesprek gaat, kennis opzoekt en samenwerkt. Iedereen moet de instelling hebben dat we het samen doen”, benadrukt Anke. “Het is niet jouw kind in jouw klas, het is óns kind op ónze school.”
Iedere woensdagmiddag komt het team samen om over onderwijs te praten. Daarbij komen ook kennisvragen aan de orde, bijvoorbeeld over leesstrategieën. “Ik stimuleer ze om erover te lezen, maar besef wel hoe druk ze het hebben. Dan ontlast ik ze soms door een presentatie te geven, waarna ze met elkaar in gesprek kunnen gaan.” En als de schoolleider zelf het antwoord op een vraagstuk niet weet? “Dan laat ik een ander aan het woord”, zegt Anke stellig. “Als een van de teamleden een antwoord heeft, mag die het zeggen.” Dat past goed binnen de filosofie van het bestuur van SAAM-scholen: Wie het weet moet het zeggen.
Brede samenwerking is een voorwaarde voor kennisdeling. Zowel tussen leraren binnen de school als tussen onderwijspartners in een gemeente. Dat geldt niet alleen voor taalbeleid, maar ook voor andere thema’s. “Doe het samen met iedereen die ertoe doet.” Dat komt de gezamenlijke opdracht ten goede: het kind staat centraal.
Bron foto bovenaan: PeopleImages.com - Yuri A / Shutterstock