Totstandkoming van de docentcompetenties en onderwijskwalificatie
Hoogopgeleide professionals, zoals docenten in het hoger onderwijs, kenmerken zich door een grote mate van autonomie in de taakuitvoering. Dit is van grote betekenis voor de professionele ontwikkeling: docenten in het hoger onderwijs ontwikkelen zich vooral in de interactie met hun praktijk, wanneer zij onderwijs uitvoeren, bestaand onderwijs evalueren of nieuw onderwijs ontwikkelen.
In de tachtiger jaren ontstonden op de meeste universiteiten educatieve centra die docenten ondersteuning boden bij hun onderwijstaak. Zij waren actief betrokken bij onderwijsontwikkeling in de faculteiten en bij de invoering van nieuwe onderwijsconcepten zoals probleemgestuurd onderwijs en modulair onderwijs. Daarnaast werden veel cursussen aangeboden over bijvoorbeeld het geven van hoorcolleges, werkgroepbegeleiding of over onderwijs voor PhD’s.
Sinds eind negentiger jaren werd het vrijwillige en vrijblijvende karakter van docentprofessionalisering doorbroken. Verschillende universiteiten ontwikkelden een vergelijkbaar onderwijskwalificatiebeleid (met een Basis Kwalificatie Onderwijs (BKO) en Senior Kwalificatie Onderwijs (SKO)) en sindsdien kwam de docentprofessionalisering op veel universiteiten in het perspectief te staan van het ontwikkelen van de onderwijstaken die pasten bij de BKO. De docentprofessionalisering kreeg daarmee ook een loopbaanperspectief.
De inspiratiebron voor de uitwerking van de onderwijstaken en competenties in het profiel van de Basis Kwalificatie Onderwijs was The UK Professional Standards Framework for Teaching and Supporting Learning in Higher Education (2006). In dit kader waren inhoudelijke eisen wettelijk vastgelegd waaraan docenten HO in het Verenigd Koninkrijk moesten voldoen. Deze standaard, die met ingang van 2006 geldt voor alle nieuwe stafleden in het Verenigd Koninkrijk wordt in vele landen (VS, Canada, Australië, Nieuw Zeeland en Europese landen) als referentiekader voor de competente universitaire docent beschouwd en wordt regelmatig geëvalueerd.
Onderwijstaken en competenties
De volgende onderwijstaken zijn in de onderwijskwalificatie (BKO) opgenomen:
- het ontwerpen van onderwijs zoals formuleren van leerdoelen, consistentie tussen doelen, leeractiviteiten en toetsing: constructive alignment, ontwikkelen van leeractiviteiten en cursushandleiding
- verzorgen van onderwijs en het begeleiden van studenten zoals motiveren van studenten, hoorcollege of uitleg geven, werkgroepbegeleiding, feedback geven, coaching en thesisbegeleiding,
- het toetsen en beoordelen van studenten zoals het screnen van toetsen op kwaliteit, assessment for learning en assessment of learning, ontwikkelen van toetsopgaven, cases en opdrachten, het ontwikkelen van rubrics.
- het evalueren van (het eigen) onderwijs (kwaliteitszorg en eigen professionele ontwikkeling) zoals verzamelen van feedback van studenten, reflecteren op verbeterpunten en doen van verbetervoorstellen, reflecteren op de eigen rol in het leerproces van studenten, ontwikkelen van een visie op onderwijs en op de eigen docentidentiteit
Daarnaast wordt er ook aandacht besteed aan algemene vaardigheden zoals samenwerking en organiseren die voor de onderwijsorganisatie van belang zijn. Denk daarbij aan teamwork en planning en organisatie van een cursus. In het wo zijn de onderwijstaken op het gebied van toetsen en examineren onderdeel van het BKO profiel. De taakgebieden van de universitaire docent zijn verder uitgewerkt in kwaliteiten of competenties.
Sinds 2008 geldt er een landelijke wederzijdse erkenning van de Basiskwalificatie Onderwijs (BKO) door alle Nederlandse universiteiten. Hiermee is de BKO opgenomen in het reguliere Onderwijs- en personeelsbeleid van de universiteiten, wordt de ontwikkeling door de docent van de BKO gefaciliteerd en wordt de onderwijskwalificatie van de docent serieus getoetst met een transparante toetsprocedure. Tien jaar na de totstandkoming van de wederzijdse erkenning is de BKO geëvalueerd in een landelijke peer review waaruit als hoofdconclusie naar voren kwam dat de generieke BKO-competenties die in 2008 opgesteld zijn voldoen nog steeds voldoen.
Uit de peer review verder blijkt dat de meerderheid van de docenten BKO-gecertificeerd is en dat volgende stappen inmiddels worden gezet. Deze liggen onder meer in het ontwikkelen van een passend continu professionaliseringsaanbod en de koppeling daarvan aan HR-beleid/de universitaire carrière.
De ontwikkeling van een loopbaanperspectief op onderwijs
Formele scholing, zoals een BKO-traject, speelt een rol bij het verwerven van (nieuwe) vaardigheden, waar vooral jonge en nieuwe docenten bij gebaat zijn. De meer ervaren docenten benutten een BKO-traject vooral voor de ontwikkeling van hun visie op onderwijs door uitwisseling van ervaringen en collegiale feedback, voor systematische reflectie op en evaluatie van het eigen onderwijs, door het ontwikkelen van nieuw onderwijs. In de universiteiten heeft de invoering van de BKO de aandacht voor continue ontwikkeling van docenten en onderwijskwaliteit gestimuleerd. In vervolgtrajecten zoals de Senior Onderwijskwalificatie (SKO) en onderwijskundig leiderschap kunnen ervaren docenten een voortrekkersrol nemen door uitvoering van onderwijsvernieuwingstrajecten. Het bieden van gelegenheid voor professionele groei en waardering daarvoor, geeft docenten zicht op een toekomstperspectief binnen het onderwijs.
Toetsing docentcompetenties
De BKO-toetsing heeft een ander karakter dan het ontwikkelings- en beoordelingsgesprek met de leidinggevende. In het BKO-portfolio laten docenten zien welke competenties ze hebben ontwikkeld en ze reflecteren in het portfolio op hun eigen handelen. Het portfolio heeft daarmee twee functies: het stimuleren van de individuele ontwikkeling van de docent doordat hij of zij zicht krijgt op sterke kanten en ontwikkelpunten en het documenteren van deze ontwikkeling zodat deze getoetst kan worden. Voor ontwikkeling is niet per se het volgen van een BKO-traject nodig. Wanneer docenten al veel ervaring hebben (nationaal of internationaal), deelnemen in een intervisiegroep of coaching krijgen, kunnen zij dat in het portfolio documenteren om aan te tonen dat ze reeds over bepaalde competenties beschikken.
Uit de peer review kwamen de volgende aandachtspunten voor de BKO-toetsing naar voren:
- De feedback van studenten over het gegeven onderwijs kan een duidelijkere plaats krijgen in het portfolio en daarmee in de beoordeling van de docent.
- Idealiter geven een coach of peers gedurende het BKO-traject feedback die de ontwikkeling van de docent stimuleert.
- Door het afsluiten van het BKO-traject met een gesprek waarin sterke punten en ontwikkelpunten worden besproken, wordt een start gemaakt met de verdere ontwikkeling van de docent na het behalen van de BKO.
- Het betrekken van de leidinggevende - niet in een beoordelende rol - bij zowel start als einde van het BKO-traject zorgt voor een betere inbedding van de professionalisering van de docent in de jaargesprekken.