Aanbevelingen en interventies om doorstroom mbo-hbo te bevorderen

  • Middelbaar beroepsonderwijs
  • Hoger onderwijs
  • In dit systematische literatuuroverzicht worden de effectiviteit en werkzame elementen van verschillende interventies om doorstroom van mbo naar hbo te bevorderen worden besproken.

    Gepubliceerd:

    Instellingen proberen op verschillende manieren de uitval van mbo-studenten in het hbo te voorkomen. Uit dit onderzoek blijkt dat onder andere leeftijd, financiële achtergrond of sociale integratie van studenten gerelateerd zijn aan studie-uitval. Ook kenmerken van instellingen, zoals de regio, selectiviteit in het programma of verbinding met studenten hebben een voorspellende waarde op studie-uitval. Effectieve interventies zijn onder andere speciale programma’s voor studenten, proefstuderen en verschillende vormen van coaching. Intakegesprekken lijken geen geschikt instrument.

    Aanleiding: veel mbo’ers vallen uit op hbo

    Mbo-studenten die doorstromen naar het hbo vallen vaak uit: maar liefst 17% stopt met de studie. Bij havisten en vwo’ers is dat respectievelijk 6% en 3%. Uitval en slechte doorstroom kan een student een persoonlijke teleurstelling opleveren. Ook voor de maatschappij zijn er nadelen: het kost veel geld. Verder kan het een risico opleveren voor de doelstellingen van het onderwijs, ook vanuit het streven van de Europese Unie, om zo veel mogelijk jongeren op te leiden voor een competitieve economie met duurzame en inclusieve groei.

    Kenmerken van studie-uitval

    Voor dit systematisch literatuuroverzicht is in de wetenschappelijke database EBSCO HOST gezocht naar internationale artikelen rond student-, instellings- en omgevingsfactoren die uitval en doorstroom beïnvloeden. Artikelen tussen 2000 en 2015 zijn geanalyseerd. Er blijken vier kenmerken te zijn van studie-uitval, die in grote lijnen vergelijkbaar zijn met de Nederlandse situatie:

    • Socio-psychologische aspecten. Studenten hebben soms onrealistische verwachtingen van de studie en toekomstige mogelijkheden op de arbeidsmarkt. Die mismatch kan leiden tot een gebrek aan motivatie, een lage verbondenheid met de instelling en leiden tot uitval.
    • Onvoldoende voorbereiding. Mbo’ers hebben vooral ervaring met kleine klassen en goede toegang tot docenten. Ze hebben zich bepaalde leerstrategieën eigen gemaakt, maar die zijn niet altijd relevant voor het hoger onderwijs. Ook zijn ze niet altijd goed voorbereid op zelfstandigheid en samenwerking.
    • Onbegrip van docenten. Van studenten wordt verwacht dat zij verantwoording nemen voor hun leerproces. In de praktijk nemen zij echter vaak een afwachtende houding aan. Docenten herkennen dat niet altijd, waardoor de kans bestaat dat studenten onderpresteren.
    • Persoonlijke kenmerken. Intellectuele intelligentie is waarschijnlijk de belangrijkste determinant van studiesucces. Persoonlijke kenmerken, zoals geslacht, leeftijd en sociaal-economische situatie (SES) spelen echter ook een rol. Zo hebben mannen minder goede leerstrategieën en minder inzet om te studeren. Oudere studenten maken betere studiekeuzes en kunnen zich beter focussen.

    Effectieve interventies voor minder uitval en betere doorstroom

    Mbo- en hbo-instellingen in het buitenland doen veel om voortijdige uitval tegen te gaan en doorstroom te bevorderen. Effectieve interventies zijn onder andere:

    • Duale programma’s. Studenten kunnen ter voorbereiding op hun vervolgstudie al een programma volgen om noodzakelijke kennis of ervaring op te doen. Bijvoorbeeld deelnemen aan campusactiviteiten of toegang tot krijgen tot supportcentra.
    • First-Year experience (FYE) programma. Studenten krijgen in het eerste jaar ondersteuning voor betere onderzoeksvaardigheden en tijdmanagement bijvoorbeeld. Belangrijke succesfactoren zijn onder andere interactie tussen studenten onderling en tussen studenten en docenten. Ook moet het programma de academische verwachtingen verhogen en een link leggen met het curriculum.
    • Een doorstroomprogramma met workshops. Studenten krijgen hierbij een serie workshops aangeboden bij de start, na een examenperiode en na het eerste jaar. Ook ouderejaars zijn daarbij betrokken. Discussie en reflectie zijn belangrijke activiteiten.
    • Proefstuderen. Hoewel er geen studies bekend zijn naar de effecten, blijkt proefstuderen mbo’ers sterk te stimuleren om een hbo-studie te kiezen.
    • Studieloopbaancoach. Een coach adviseert wat te doen bij een foute studiekeuze en begeleidt de studievoortgang. Meestal vindt begeleiding plaats in het eerste studiejaar, maar voorafgaand aan de studie kan het ook effectief zijn. Voor studenten uit risicogroepen lijkt langere begeleiding goed te werken.
    • Mentoring en coaching. Met een mentor of coach kan een student in een een-op-een-relatie praktische ervaringen uitwisselen en krijgt hij feedback. Meestal vindt het buiten de les plaats. De coach kan een oudere medestudent zijn (peer coaching) of een mentor van de instelling, hetgeen de binding met de opleiding versterkt.

    Er zijn interventies die niet zijn onderzocht of waarvan de effectiviteit niet kan worden vastgesteld. Bijvoorbeeld het studiekeuzecentrum, waar aankomende studenten zich kunnen oriënteren en activiteiten kunnen volgen. Van intake- en startgesprekken, die vaak worden gebruikt om studenten te selecteren, is de effectiviteit niet vastgesteld.

    Interventies in het Nederlandse onderwijs

    Onderzoeken in de Nederlandse situatie naar studiekeuzegesprekken, zomerscholen, meeloopdagen en coaching laten ook positieve effecten zien op doorstroom en studiesucces.

    • Met studiekeuzegespreken worden studenten beter geïnformeerd en gemotiveerd. De meeste beleidsmakers, docenten en studenten oordelen positief over projecten met studiekeuzegesprekken
    • Studenten zijn ook positief over zomerscholen. Daar ontstaan vriendschappen en studenten bouwen meer zelfvertrouwen op voor de opleiding. Vooral als ze daar een beperkte voorkennis voor hadden, blijkt dat effectief.
    • Nederlandse studenten nemen vaak deel aan meeloopdagen of proefstuderen en beoordelen dat als positief. Ook blijkt dat studenten die minder vaak intensieve voorlichtingsdagen bezochten, zoals proefstuderen, vaker uitvallen.
    • Verder kunnen instroom-assessments, voorafgaand aan de opleiding, positief werken. Voorwaarde is wel dat er een helder introductieprogramma is, een kennismaking met de manier van werken, de docenten, de leeromgeving en het studiemateriaal.
    • Uit verschillende onderzoeken blijkt ook dat pee coaching en mentoring effectief zijn in de Nederlandse situatie, maar een voorwaarde voor succes is wel dat mentoren genoeg tijd en ondersteuning krijgen.

     

    Lees het onderzoek

    Bijdrage van

    Mogen we je iets vragen?

    Ga je deze informatie gebruiken in het onderwijs?
    Wat vind je van de leesbaarheid van deze pagina?
    In welke onderwijssector werk je?

    Wil je nog iets anders kwijt? Laat het ons weten via het feedback-formulier.

    Privacyverklaring

    Wij gaan zorgvuldig om met persoonsgegevens. Lees hierover meer in onze privacyverklaring.

    Gerelateerd in de kennisbank

    • Placeholder Onderwijskennis.nl

      Verdiepende bron

      Verbeterde aansluiting; wat werkt?

      ho

      Uiteenlopende factoren zijn van invloed op de doorstroom, daarom zijn er meerdere mogelijke oplossingen. Van de 9 programma’s gericht op doorstroming in dit onderzoek, leidt 1 aantoonbaar tot minder...

      Download van researchNED
    • Placeholder Onderwijskennis.nl

      Verdiepende bron

      Dalende doorstroom naar hbo

      mbo ho

      Uit het onderzoek uit 2020 blijkt dat meerdere factoren een rol spelen in de dalende doorstroom naar het hbo, zoals beperkte voorlichting. Naast deze factoren is er ook aandacht voor interventies...

      Download van ResearchNed
    • Placeholder Onderwijskennis.nl

      Verdiepende bron

      Wel of niet naar het hbo?

      mbo ho

      De Inspectie van het Onderwijs onderzocht bewuste en onbewuste mechanismen in het keuzeproces van mbo-4 studenten. Verschillende factoren hebben impact op dit proces zoals faalangst en de...

      Lees verder bij de Inspectie van het onderwijs