Het creëren van een goed pedagogisch klimaat in de klas

Pedagogisch klimaat in de klas

Hoe creëer je een goed pedagogisch klimaat in de klas? Naast reflectie op het eigen gedrag, bijvoorbeeld ook samen met collega’s en eventueel met ondersteuning van video of feedback van leerlingen, kunnen leraren verschillende interventies inzetten om leerlingen te motiveren en problemen te voorkomen.

Om tot leren te komen hebben leerlingen een ondersteunende, gestructureerde, en veilige omgeving nodig. Een omgeving waarin leerlingen zich geaccepteerd voelen, ontdekken dat ze steeds meer taken aankunnen en hun leergedrag zelf kunnen sturen. Daarbij speelt houding en aanpak van de leraar, evenals het gedrag van leerlingen een grote rol. We bespreken drie zaken die van invloed zijn op het pedagogisch klimaat in de klas:  

  1. Het belang van een goede leraar-leerling relatie
    Een goede leraar-leerling relatie kan gedragsproblemen in de klas voorkomen of verminderen doordat leerlingen zich meer op hun gemak voelen en mede daardoor ook gemotiveerder zijn.
  2. Goed klassenmanagement als voorwaarde voor een positieve sfeer
    Klassenmanagement richt zich op het groepsproces en hoe een les georganiseerd wordt, ook om aan individuele behoeften van leerlingen te kunnen voldoen. Leraren kunnen verschillende interventies en methoden gebruiken om leren in de klas te ondersteunen, leerlingen te motiveren, en gedragsproblemen te verminderen.
  3. Pesten: aanpak en preventie
    Voor een positief en veilig klimaat is het van belang dat scholen ongewenst en pestgedrag van leerlingen voorkomen. Pesten kan op korte en lange termijn negatieve consequenties hebben voor leerlingen, nu en in hun latere leven. Er zijn verschillende programma’s en interventies ontwikkeld om pestgedrag tegen te gaan en prosociaal gedrag te stimuleren

Het belang van een goede leraar-leerling relatie 

De kwaliteit van interpersoonlijke relaties tussen leraren en leerlingen vormt de basis van het klimaat in de klas. Positieve relaties zijn belangrijk voor zowel het sociaal en cognitief functioneren van de leerlingen als voor het welbevinden van de leraar (Koomen et al., 2010; Brekelmans, 2010; Hendrickx, 2017). 

De leraar heeft een voorbeeldfunctie

Het opbouwen van een positieve relatie met een leerling begint bij de leraar. Leraren staan model voor de relaties tussen leerlingen onderling. Als zij investeren in hechte, positieve relaties met leerlingen kunnen zij prosociaal gedrag stimuleren. De relatie tussen leraar en leerling kan de sociale positie van leerlingen in de klas meebepalen (Endedijk et al., 2019). Omdat leerlingen zich door een positieve relatie meer op hun gemak voelen kunnen zij meer energie steken in hun schoolwerk. Deze redenering geldt ook andersom. Herhaaldelijk negatieve interacties tussen leraar en leerling kunnen de sociale positie van het kind in de klas verslechteren. Een negatieve of conflictueuze aanpak van een leraar kan daarnaast leiden tot (meer) probleemgedrag en leerproblemen. Leerlingen zijn dus het meest op hun gemak en gemotiveerd wanneer ze hun leraren als vriendelijk en sturend ervaren (Hendrickx, 2017; Gubbels et al., 2019).

Positieve betrokkenheid, ondersteuning van autonomie en aandacht voor structuur

Naast oprechte aandacht voor leerlingen is het ook belangrijk dat leraren de autonomie van leerlingen ondersteunen, door aan te sluiten bij de leefwereld en interesse van leerlingen en hen betekenisvolle keuzes te bieden. Als leraren daarbij ook zorgen voor voldoende structuur in de leeromgeving heeft dit een gunstige uitwerking op de intrinsieke motivatie en inzet van leerlingen (Hornstra et al., 2016; Opdenakker, 2014). Leerlingen hechten (onbewust) veel waarde aan duidelijke verwachtingen en heldere regels. Belangrijk hierbij is dat leraren niet alleen aangeven wat níet mag, maar op een vriendelijke manier aangeven wat juist wel gewenst is. Wanneer een leraar dit goed op orde heeft, krijgen leerlingen de ruimte die zij nodig hebben om zich te ontwikkelen (Battalio et al., 2013; Hornstra et al., 2016). 

Positieve relaties ook na de basisschoolperiode van belang

Vroeger werd gedacht dat de invloed van een goede leraar-leerling relatie minder wordt naarmate leerlingen ouder worden. Dit blijkt een misvatting. Bij tieners neemt de intrinsieke motivatie om te leren af en juist dan maakt het uit of je een warme band met je leraar hebt. Leerlingen doen meer hun best bij een leraar die zij mogen en waarderen (Koomen et al., 2010). 

Leeftijd en ervaring van de leraar hebben invloed 

Natuurlijk bestaan er verschillen tussen leraren. Beginnende leraren vinden het over het algemeen wat lastiger om een groep te leiden en om op een vriendelijke manier verwachtingen voor de klas duidelijk te maken. Hierdoor is het voor hen moeilijker om structuur te bieden. Op dit gebied maken beginnende leraren dan doorgaans ook de grootste ontwikkeling door. Leraren die langer in het vak zitten hebben doorgaans meer overwicht in de klas, maar voor hen bestaat de valkuil dat de emotionele afstand tot leerlingen over de jaren toeneemt. Dit kan onder meer worden verklaard door het grotere leeftijdsverschil, grotere verschillen in normen en waarden en verminderd enthousiasme van de leraar door routine. Voor deze groep leraren is het daarom van belang zich te verdiepen in de belevingswereld van leerlingen en ruimte te geven aan kritische geluiden. Zodoende kunnen ze een goede leraar-leerling relatie behouden en een goed klassenklimaat creëren (Brekelmans, 2010). 

Goed klassenmanagement als voorwaarde voor een positieve sfeer

In het onderwijs wordt relatief meer aandacht besteed aan het beïnvloeden van individueel probleemgedrag, er wordt minder gekeken naar factoren in de leeromgeving die van invloed kunnen zijn op het gedrag van leerlingen. Onderzoek laat zien dat goed klassenmanagement kan helpen om gedragsproblemen te voorkomen of te verminderen (Goei & Kleijnen, 2009; Marzo, 2007; Korpershoek et al., 2014).

Klassenmanagement is een verzamelterm

Klassenmanagement is de manier waarop een leraar een les organiseert en de groep aanstuurt. Dit kan zich richten op leeractiviteiten en sociale processen, en omvat alle maatregelen om een prettig klimaat te creëren zodat leerlingen zich optimaal kunnen ontwikkelen. Het gaat dus zeker niet alleen om regels maar ook om aspecten als klasinrichting, methoden en instructie, en de manier waarop de leraar omgaat met de leerlingen (Beekhoven, 2018; Walraven et al., 2011). Zo kan het bijvoorbeeld helpen als het klaslokaal een duidelijke structuur heeft zodat leerlingen weten wat er op welke plek van hen wordt verwacht. Denk hierbij aan functionele werk- of speelhoeken en het creëren van individuele werkstations. Ook het samen maken van afspraken met leerlingen over klassenregels geeft duidelijkheid, waardoor leraren en leerlingen weten waar ze aan toe zijn. En belangrijk onderdeel van klassenmanagement is de manier waarop de leraar de regels hanteert en leerlinggedrag bijstuurt (Korpershoek et al., 2014).

Groepsproces versus individuele leerlingbehoeften

Belangrijk bij klassenmanagement is dat er aan de ene kant rekening wordt gehouden met het groepsproces maar tegelijkertijd aandacht blijft voor individuele behoeften van leerlingen. Dit is niet altijd een eenvoudige opgave. Gelukkig zijn er verschillende klassenmanagementinterventies die hierbij kunnen helpen. Grofweg zijn deze interventies in te delen in drie categorieën: interventies gericht op het gedrag van de leraar, interventies gericht op het gedrag van de leerling en interventies gericht op de emotionele ontwikkeling van de leerling. De meeste klassenmanagementinterventies hebben een positief effect op leerprestaties, het gedrag en de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen. Interventies met een focus op het stimuleren van de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen zijn iets effectiever dan interventies zonder deze focus, vooral wat betreft het bevorderen van deze ontwikkeling. Interventies gericht op het gedrag van de leraar en zijn managementvaardigheden hebben een positief effect op de leerlingprestaties. Voorbeelden van onderzochte en erkende klassenmanagementinterventies zijn PAD, Zippy’s vrienden en Taakspel (Korpershoek et al., 2014).

Pesten: aanpak en preventie 

Het onderwijs heeft een wettelijke verplichting om pesten te voorkomen en te zorgen voor een veilig klimaat op school. Desondanks is pesten in het onderwijs een wijdverbreid probleem. Gepest worden heeft tal van negatieve consequenties, waaronder verminderde schoolprestaties, schoolverzuim, eenzaamheid, gebrek aan vertrouwen in zichzelf en anderen, en psychische klachten die kinderen lang met zich mee kunnen dragen. Ook kinderen die pesten kunnen gevolgen ondervinden van hun gedrag. Zo hebben zij vaak moeite om met overleg en begrip voor anderen iets te bereiken en blijven daardoor vaak onaangepast gedrag vertonen. Pesten heeft ook een ongunstige invloed op het klassenklimaat en in een onveilig klimaat komen leerlingen niet tot leren. In klassen waar gepest wordt hangt een gespannen sfeer (Orobio de Castro et al., 2018). 

Aanpak van pesten op school

Er is een groot aantal programma’s ontwikkeld om scholen en leraren te helpen om pesten terug te dringen. Binnen deze interventies zijn verschillende typen programma’s te onderscheiden. Zo bestaan er aan de ene kant universele programma’s die gericht zijn op de hele klas of school om de groepsdynamiek te verbeteren en pestgedrag te voorkomen of tegen te gaan. Dit zijn bijvoorbeeld schoolprogramma's die sociale vaardigheden of weerbaarheid van leerlingen versterken. Ook zijn er interventies die zich richten op het bevorderen van een positief schoolklimaat en het betrekken van sociale systemen rondom kinderen. Voorbeelden van erkende universele interventies in het primair onderwijs zijn PRIMA, KiVa en Taakspel. Deze interventies hebben bewezen pesten binnen een jaar te kunnen verminderen. Naast schoolbrede interventies bestaan er ook selectieve programma’s gericht op een specifieke groep leerlingen, zoals leerlingen met externaliserend probleemgedrag of klassen met veel conflicten. Een voorbeeld van een erkend selectief programma is Alles Kidzzz (Eck, 2018). 

Cyberpesten, een ongrijpbaar probleem

Naast interventies die gericht zijn op traditionelere vormen van pesten, neemt de aandacht voor digitaal pesten toe. Waar klassiek pesten zich voornamelijk voordoet op en rond school heeft digitaal pesten, ook wel cyberpesten genoemd, deze grenzen vervaagd. Informatievoorziening over cyberpesten aan jongeren én hun ouders is belangrijk bij het tegengaan van deze vorm van pesten en deze strategie wordt dan ook door veel scholen toegepast (Noort & Van der Vecht, 2016). Over effectieve interventies die zich specifiek op cyberpesten op de basisschool richten, is nog niet veel bekend. Sommige aspecten van cyberpesten zijn opgenomen in eerdergenoemde interventies, zoals PRIMA en KiVa.

  • Referenties

    Battalio, R., Dalhoe, A. en Shirer, D. (2013). Walking the Fine Line: How High School Teachers “Manage” Behavioral Issues. The Clearing House, 86: 190–194. DOI: 10.1080/00098655.2013.804802

    Beekhoven, S. (2018). Welk docenthandelen in reactie op externaliserend gedrag draagt bij aan een goed pedagogisch klimaat in groepen met leerlingen met zowel internaliserend als externaliserend gedrag, in de vmbo-bovenbouw van het speciaal onderwijs? (KR. 307) Den Haag: Kennisrotonde.

    Brekelmans, M. (2010). Klimaatverandering in de klas. Oratie. Universiteit Utrecht.

    Eck, E. van (2018). Wat is een effectieve methode om pesten tegen te gaan? (KR.410) Den Haag: Kennisrotonde.

    Endedijk, H., Breeman, L., Lissa, C. van, Boer, L. den, & Mainhard, T. (2019). De onzichtbare rol van de docent inzichtelijk gemaakt. Lesgeven in het Passend Onderwijs: Hoe leerkracht-leerling relaties de sociale positie van leerlingen in de klas mee bepalen. Universiteit Utrecht. (NRO project).

    Goei, SL. & Kleijnen, R. (2009). Omgang met zorgleerlingen met gedragsproblemen. Eindrapportage, literatuurstudie. Christelijke Hogeschool Windesheim.

    Hendrickx, M. (2017). Leerkrachtgedrag als model voor positieve relaties tussen basisschoolleerlingen. Proefschrift. Universiteit Utrecht. 

    Hornstra, L., Weijers, D., Veen, I. van der, & Peetsma, T. (2016). Motiverend lesgeven. Handleiding voor docenten. Amsterdam: Kohnstamm Instituut. (NRO project).

    Koomen, H., Spilt, J., Roorda, D., Oort, F. & Thijs, J. (2010). Reviewstudie leraar-leerlingrelaties, schools leren van leerlingen en welbevinden van leraren. NWO/PROO onderzoek: www.nwo.nl

    Korpershoek, H., Kuijk, M. van, Harms, G., Boer, H, de, & Doolaard, S. (2014). Effectieve strategieën en programma’s voor klassenmanagement in het primair onderwijs. Onderzoeksrapport. RUG, GION Onderwijs/Onderzoek.

    Marzano, R. (2007). Wat werkt op school; research in actie. Meta-analyse van 35 jaar onderwijsresearch direct toepasbaar in beleid en praktijk. Bewerkt door B. de Reu (Bazalt/ RPCZ), H. Fuchs (DOBA), J. Jurna-Collignon (HCO). Middelburg: Bazalt.

    Noort, P. & Van der Vecht, A.L. (2016). In welke mate komt digitaal ongewenst gedrag voor in het primair en voortgezet onderwijs? Wat zijn effectieve interventies om dit gedrag tegen te gaan? Welke rol kan 'monitoring' van digitaal gedrag hierbij spelen? (KR.006) Den Haag: Kennisrotonde.

    Opdenakker, M. (2014). Leerkracht-leerlingrelaties vanuit een motivationeel perspectief: het belang van betrokken en ondersteunende docenten. Pedagogische studiën (91) 332 – 351.

    Orobio de Castro, B., Mulder, S., Ploeg, R. van der, Onrust, S., Berg, Y. van den, Stoltz, S., Buil, M., Wit, I. de, Buitenhuis, L., Cillessen, T., Veenstra, R., Lier, P. van, Dekovic, M., & Scholte, R., (2018). Wat werkt tegen pesten. Effectiviteit van kansrijke programma’s tegen pesten in de Nederlandse onderwijspraktijk. Universiteit Utrecht. (NRO project)

    Stoep, J., Gubbels, J., Deckers, S., Radstaake, M., & Prijs, E. (2019) Van verdichting naar verlichting, leraarcompetenties voor succesvolle communicatie in het PO en SO. Radboud Universiteit. (NRO project).

    Walraven, M., Kieft, W. & Broekman, L. (2011). Passend onderwijs aan leerlingen met gedragsproblemen. Onderzoeksrapport. Oberon, in opdracht van Evaluatie- en adviescommissie Passend onderwijs.

Mogen we je iets vragen?

Ga je deze informatie gebruiken in het onderwijs?
Wat vind je van de leesbaarheid van deze pagina?
In welke onderwijssector werk je?
Wil je nog iets anders kwijt? Laat het ons weten via het feedback-formulier, of vul voor één of meerdere pagina's onze vragenlijst in.

Wil je weten hoe wij jouw persoonsgegevens beschermen? Lees dan de privacyverklaring.